In deze zaak verzoekt PostNL de rechter in een voorlopige-voorzieningsprocedure om schorsing van een beschikking van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Die betreft de eis om te zware fysieke belasting van werknemers in sorteer- en distributiecentra op korte termijn te beëindigen.
Werkzaamheden in sorteer- en distributiecentra
In sorteer- en distributiecentra van PostNL sorteren medewerkers pakketten die van opdrachtgevers naar geadresseerden gaan. De pakketten verschillen in omvang en gewicht. Sommige pakketten zijn zwaarder dan 23 kg.
Het werk behelst veel tillen (vanuit en op rolcontainers en pallets en op en af opvoerlijnen), dragen (van en naar rolcontainers), duwen en trekken (van rolcontainers en transportkarren) en reiken (naar pakketten op sorteerlijnen).
Fysiek zwaar werk, geen toereikende RI&E
Op 27 september 2023 voert de Arbeidsinspectie een inspectie uit bij een PostNL-depot in Venlo. Zij concluderen – kort samengevat – dat het werk van de medewerkers op het distributiecentrum (op onderdelen) fysiek zwaar is. En ook dat fysiek zwaar werk een gezondheidsrisico voor deze medewerkers vormt.
Volgens de inspecteurs heeft PostNL in de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) en het daarbij behorende plan van aanpak geen correcte inschatting gemaakt van deze fysiek belastende werkzaamheden. Een toereikende RI&E over de belastende tilwerkzaamheden ontbreekt dus. De Arbeidsinspectie heeft PostNL daarop gewaarschuwd de overtreding te beëindigen.
Ergonomen: te zware fysieke belasting
Ook werknemersorganisatie FNV heeft de arbeidsomstandigheden bij PostNL onderzocht naar aanleiding van klachten. Volgens FNV is de werkdruk bij PostNL te hoog, is het werk lichamelijk te zwaar en worden de werknemers daarbij aan hun lot overgelaten. FNV heeft hiervan melding gedaan bij de Arbeidsinspectie.
Op 7 en 18 december 2023 en op 15 februari en 6 maart 2024 bezoeken specialisten Ergonomie van de Inspectie enkele depots voor een inventarisatie van de fysieke belasting. Ook bij die bezoeken stellen zij vast dat het werk, dat voornamelijk bestaat uit het handmatig tillen en dragen van pakketten, te zwaar is. Dit vanwege de hoge frequentie, de grote gewichten, de horizontale rekafstanden, het overschrijden van de maximaal genormeerde tilhoogte van 175 cm, de omvang van de pakketten en de ongunstige werkhoudingen.
Arbeidsinspectie legt eis tot naleving op
De Arbeidsinspectie legt PostNL op 21 mei 2024 een eis tot naleving op voor overtreding van artikel 5.3, onder a en b, van het Arbobesluit (beperken gevaren en risico-inventarisatie en -evaluatie).
De Inspectie eist dat PostNL binnen 3 maanden een inventarisatie (RI&E) opstelt met een beoordeling van specifieke werkzaamheden op de veiligheids- en gezondheidsaspecten van de fysieke belasting. Bij deze RI&E moet PostNL in een plan van aanpak laten zien hoe het bedrijf voorkomt dat de fysieke belasting een verhoogd risico vormt voor de gezondheid van medewerkers.
PostNL in het geweer tegen 4 punten
De eist tot naleving bevat een aantal specifieke maatregelen ter beperking of voorkoming van fysieke belasting. PostNL komt bij de voorzieningenrechter met name in het geweer tegen 4 punten. Namelijk de geëiste invoering van respectievelijk taakroulatie, een maximumtilhoogte van 175 cm en een heftafel. En tegen de termijn van 3 maanden voor invoering van een elektronisch hulpmiddel (de Movexx) voor het verplaatsen van rolcontainers.
PostNL heeft inmiddels wel een door de ondernemingsraad goedgekeurde RI&E met plan van aanpak, gedateerd 11 juli 2024.
Gezondheidsbelang gaat boven geldbelang
Dat het werk nu te zwaar is, staat vast. Dat daarom op korte termijn maatregelen nodig zijn, ook. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat de Inspectie bevoegd is om de eisen te stellen en de maatregelen op te leggen. De opgelegde maatregelen zijn volgens de rechter niet onevenredig. De Inspectie laat bovendien terecht het gezondheidsbelang van de werknemers zwaarder wegen dan de financiële belangen van PostNL.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om schorsing van genoemde eisen en maatregelen dan ook af.
Bron: Rechtbank Noord-Holland 30 juli 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:7706









