Vette salarissen, lease-auto’s, bonussen en leuke secundaire arbeidsvoorwaarden het kon niet op. Het binnenhalen van talent was de nachtmerrie van de HRM-managers. In deze snelle en zelfstandige wereld was voor vakbonden geen plaats. Gewoon zelf in een open overleg met je werkgever afspreken wat er dit jaar weer bij kan. Tja, als het zo kan is iedereen in staat om een goed arbeidsvoorwaarden pakket op tafel te leggen.
Helaas gaat het nu wat minder in de branche en in zeker opzicht wordt het een gewone volwassen bedrijfstak. Wat meer op de kleintjes letten en gewoon doen, lijkt eerder regel dan uitzondering te worden. Op zichzelf allemaal niets bijzonders, totdat het op het echte onderhandelen aankomt. Er moeten wat hardere noten gekraakt worden en dat is minder eenvoudig. Werkgever en werknemer hebben elkaar nog langer nodig, dus de echte vuist komt niet op tafel. En dan zie je ineens weer de vraag naar hulp van buitenaf.
Vakbonden krijgen ineens wel een voet tussen de deur en ruiken hun kans. Dat dit niet altijd vanzelf gaat blijkt wel uit recente krantenberichten. Er zijn al werkgevers die de stem van de vakbond terzijde schuiven onder de noemer, ik praat alleen met de or.
Uiteraard is het goed dat er met een personeelsvertegenwoordiging gepraat wordt, maar als or moet je dan natuurlijke extra wakker worden. Het is dan ook verstandig samen met de vakbonden op te trekken in plaats van je uit te laten spelen. Het wordt tijd om spelregels op te stellen dat werknemers het recht hebben om de inbreng van vakbonden af te dwingen, ook al is de or de vanzelfsprekende gesprekspartner. Tijd voor bezinning zou ik zo zeggen.





