Iedere bestuurder krijgt de or die hij verdient. Dat is de gedachte die zich opdringt in het onderzoek ‘De bestuurder stuurt met de ondernemingsraad’. Het onderzoek is op diverse plaatsen heel stellig: wie de kwaliteit van het overleg in de onderneming wil verbeteren en er meer uit wil halen, moet eerst kijken naar hoe de bestuurder ermee omgaat. Daar is de grootste winst te halen.
Het ministerie van SZW wilde meer weten over wat er praktisch gedaan kan worden. De opdracht om dat uit te zoeken ging naar Fred Huijgen (Huijgen Beleidsonderzoek en Advies) en Erna Bruin en Jan Heijink (ITS). Zij komen tot een preciezer inzicht in wat ze de polderfactor noemen. Dit zijn de hoofdconclusies:
- De bestuurder kan er zelf veel aan doen;
- Daarvoor hoeven we niet te psychologiseren;
- Polderen blijkt effectief, en dat zit hem in een paar aanwijsbare dingen;
- Het ligt niet aan de ander of aan de omstandigheden, zoals de sector waarin een bedrijf opereert, de omvang of de economische gezondheid.
Verrassend is dat psychologische zaken als stijl van leiderschap of persoonlijkheid van de bestuurder geen verschil maken. Het enige wat er toe doet, is de houding waarmee een bestuurder zijn or tegemoet treedt. Wil hij er iets mee, of vindt hij het zonde van de moeite? Uit dit onderzoek komt naar voren dat daar in de praktijk weinig tussen zit, het zijn werkelijk twee verschillende typen bestuurders die zich aftekenen.
Gesteld dat de bestuurder met een positieve houding het overleg ingaat, dan blijken er nog een paar noodzakelijke voorwaarden te zijn om het overleg te laten slagen en een or invloed te geven: oplossingsgerichtheid aan beide kanten, respect voor en vertrouwen in elkaar, iedereen houdt zich aan gemaakte afspraken. Dat is volgens de onderzoekers de werkelijke betekenis van de veelgebruikte maar vage term polderen. Zelf vinden ze dat ze hier de polderfactor op het spoor zijn. Alle andere verschijnselen die het onderzoek blootlegt, zijn meer of minder terug te voeren op het al dan niet bestaan van deze polderfactor, ook het onderscheid tussen een positieve en een negatieve instelling tegenover medezeggenschap. In de praktijk komt die polderfactor tot uitdrukking door zaken als frequent overleg, overlegvergaderingen waarin vrijuit gebrainstormd kan worden, of het feit dat in het overleg wezenlijke zaken ter sprake komen.
Het volledige onderzoek staat op de site van SZW:
http://docs.szw.nl/pdf/92/2007/92_2007_1_17912.pdf












